Antwoord op brief van Bernard door Keimpe [52]

Brief aan Bernhard

Naar aanleiding van Menu 

‘Gij meendet, zatte vulderik, papventje, vol en rond,
gij snotpiek, labbekak, geilerik, dat ik het aak’lig vond, dat gij mij, noemend ham en ei, zoudt treffen in mijn leed, 't welk honger vaak brengt over mij?

Neen gabberd! Neen proleet!

‘k Voel mijlenver verheven mij Uw gulzigheid te boven; U, die zovele lekkernij den volke doet ontroven.

Als eens de dag des oordeels komt zult gij staan, rond en slap. Dan zal het zijn Uw mond, die bromt:
Geef mij - hia - mij maar pap!’

Gij zijt geen man als wij, die fier, die slank en vlug
van leden ‘t gevaar met uitgestrekt rapier durft tege-
moet te treden.

Gij maakt U als een dwerg zo klein, zweet als in een
bange droom. Uw schuilplaats zal een hooiberg zijn,
wijl and’rer bloed zal stroom’.

En is ‘t getij gekeerd, ten lest, dan slaat g’Uw zatte
pens. Gij zet Uw duimen achter ‘t vest, gij, volgevreten mens.

Maar dan, onz’ wraak zal schone zijn! Onz’ holle maag wordt strijdtrom.

En gij, versuikerd stuk venijn, gij nimmer komt weerom.’

Plutocraat