‘Ein Fahrrad’ [162]

Om half elf hoorden we bij Zelders aan de deur gepraat. Moeder naar voren om door ’t raampje te luisteren. Het bleek, dat twee jonge Duitsertjes aan ’t fietsen vorderen waren. Ze hadden bij Zelders aangeklopt omdat daar enig licht uitstraalde. Zelders deed open, denkend dat het een van ons was, & meteen werd er een laars tussen de deur gezet. ‘Ein Fahrrad!’ ‘Hebben we niet, ga maar twee huizen verder’ (daar woont een Rijksduitser!). Nee, ja, nee, ja.