Vingers in de oren en kussen voor het gezicht [..]

Al gauw was de ontzetting zoo groot, dat Gé en ik elk een kussen, bij elke gier voor onze gezichten hielden [..]. Doodmoe op ’t laatst, en ik moest steeds de vingers in de ooren steken voor de ontzettende knallen.

De Moffen hebben de fam. Lenderink [H.J. Lenderink, bleeker, Warnsveldscheweg 47] om 11 uur uit ‘t huis gezet en die kropen in de kelder hiernaast, bij ten Hoopen [J. ten Hoopen, koopman in radioartikelen, Warnsveldscheweg 29].

De Moffen in die van de wasscherij. ‘t Leek of ze [Geallieerden] op dat nest schoten. De weide is omgeploegd van de kraters.