Mijn hart bonkt, geschreeuw, Moffen hollen op straat [..]

We zitten nu met ons drieën bij de lamp in de voorste kelder. Vader op de trap en Gé en ik op bed op de grond. Ik kan mijn gedachten niet goed neerschrijven. Mijn hart staat te bonken. Geschreeuw, hard loopen op straat [goed hoorbaar door de ijzeren noppen onder de laarzen van de Moffen].